Domus.
Een domus (Latijn: huis) was een stadswoning voor de rijkere klasse in Romeinse Rijk . De armere klasse woonden in appartementencomplexen, de insula.
De deuren van het huis bestaan uit twee groten houten vleugels. Er zit een zwaar slot op, dat alleen met een zware sleutel open te krijgen is. Als de deuren opengaan, ligt er een grote waakhond. Deze blijkt niet echt te zijn. Hij is gemaakt van kleurige Mozaïek stukjes. 'Cave canem', staat erbij: pas op voor de hond!
De domus heeft een naar binnen gekeerd afwateringssysteem. Het regenwater wordt langs naar binnen hellende dakdelen door een opening in het dak (compluvium) het huis in gebracht, en wordt opgevangen in een bassin (het impluvium). Verder werd de domus gekenmerkt door een grote centrale ruimte, waar de andere vertrekken omheen lagen (het atrium). Het lararium (kapelletje voor de huisgoden) was ook in het atrium gevestigd. Aan de achterzijde van het huis lag een kleine ommuurde tuin (hortus).
In de 2de eeuw v.Chr., als Rome welvarender wordt, breidt men de domus uit: de tuin wordt groter en de ommuring verandert (naar Grieks voorbeeld) in een zuilenrondgang of peristylium. Om dit peristylium legt men ook vertrekken aan, vergelijkbaar met het atrium. Vaak is er een kleine keuken (culina) aanwezig en soms een badkamertje met een toilet. Die grensde dan vaak aan de keuken, zodat het afvalwater van de keuken gebruikt kon worden om het toilet te spoelen.
De belangrijkste ruimte aan het peristylium was de exedraof oecus. Dit was een grote, rijk, gedecoreerde ontvangstruimte, met een grote toegang naar de tuin.
Maak jouw eigen website met JouwWeb